Wat doet een logopedist?

Een logopedist houdt zich bezig met observatie, onderzoek, behandeling en begeleiding van kinderen en volwassenen met spraak- en taalproblemen, ademhalingsproblemen, stemproblemen, eet- en drinkproblemen en gehoorproblemen.

Bij spraak- en taalproblemen kun je denken aan slecht verstaanbaar spreken, stotteren, broddelen, moeite met zinsbouw, een kleine woordenschat en moeite met het vertellen van een verhaal. Daarnaast zijn er kinderen bij wie de spraak- en taalontwikkeling moeilijk op gang komt.

Volwassenen kunnen na het doormaken van een beroerte moeite hebben met begrijpen van taal en woordvinding. De logopedist kan een adviserende functie hebben in het zoeken naar een alternatief communicatiehulpmiddel. Daarnaast kan door ziektes, zoals bijvoorbeeld Parkinson en M.S., het spreken en slikken moeilijker verlopen.

Bij stemproblemen kun je denken aan kinderen en volwassenen die langdurig hees zijn. Bij volwassenen kan een stembandverlamming ontstaan waardoor stemgeving (zeer) moeilijk verloopt.

De logopedist behandelt en begeleidt ook kinderen met afwijkende mondgewoonten (zoals mondademhalen en duimzuigen) en verkeerd slikken. De prelogopedist behandelt baby’s en jonge kinderen met eet- en drinkproblemen.

Spraak

We spreken van een spraakprobleem wanneer een kind niet in staat is de klanken van de moedertaal correct uit te spreken of juist te gebruiken op de leeftijd waarop dat wel verwacht mag worden. Kinderen leren stap voor stap de klanken van de moedertaal en het is normaal dat tot op een bepaalde leeftijd spraakproblemen voorkomen.

Overzicht spraakstoornissen:

Fonetische articulatiestoornis

dsc_7115Bij een fonetische articulatiestoornis kan het kind de klank wel vormen maar wordt deze nog weggelaten omdat de klank technisch te moeilijk is of wordt de klank vervormd. Een voorbeeld van een fonetische articulatiestoornis is slissen of lispelen waarbij de klanken [s], [z], [sj] verkeerd worden uitgesproken. Dit kan komen door te slappe tongspieren, te weinig beheersing van de tongmotoriek, het verkeerd aanleren van de [s] of te langdurig speengebruik. De [s] klinkt als het ware onzuiver. Slissen en lispelen gaan dikwijls samen met afwijkende mondgewoonten, zoals duim- en vinger- en speenzuigen. Naast het slissen en lispelen zien we vaak rhotasisme (problemen met de r) en interdentaal uitspreken van bijvoorbeeld [s,z,t,d,n,l].

 

Wat doet de logopedist?

dsc_7157De logopedist neem het articulatie-onderzoek af en zal de ontbrekende klanken oefenen op klank-, woord-, en zinsniveau. Bij foutieve vorming worden auditieve/visuele oefeningen gegeven om het onderscheid tussen de foutieve en correcte productie te herkennen. Stap voor stap wordt de correcte productie van de klank ingeoefend.

 

Fonologische articulatiestoornis

dsc_7062Bij een fonologische articulatiestoornis spreekt het kind beduidend minder verstaanbaar dan leeftijdsgenootjes. Bij een fonologische articulatiestoornis is er sprake van een inconsistent foutenpatroon. Tot een bepaalde leeftijd passen kinderen ‘vereenvoudigingsprocessen’ toe in het spreken en is dit ook een normaal gegeven. Kinderen met een fonologische articulatiestoornissen blijven die vereenvoudigingsprocessen toepassen op de leeftijd waarop leeftijdsgenootjes dat niet meer doen.

Voorbeelden van vereenvoudigingsprocessen:

  • weglaten van de eindmedeklinkers vb deu ipv deur, ne ipv nest
  • vervangen van medeklinkers vb tameel ipv kameel, wark ipv zwart

 

Wat doet de logopedist?

Naar aanleiding van het onderzoek wordt een behandelplan opgesteld. Belangrijk bij de behandeling van de fonologische spraakstoornis is de cyclische aanpak waarbij bepaalde klankpatronen intensief getraind worden.

 

Verbale ontwikkelingsdyspraxie

Soms komt het praten niet of moeizaam op gang. Kinderen spreken dan niet of verkeerd. Een mogelijke oorzaak hiervan noemen we een verbale ontwikkelingsdyspraxie. Dit is een spraakstoornis waarbij het programmeren, afstemmen en controleren van de bewegingen die nodig zijn voor het spreken verstoord is. Door deze stoornis zijn de klanken soms onherkenbaar of komen ze in het woord op de verkeerde plaats terecht. Het komt voor dat het kind de klank wel in het ene woord kan maken en niet in het andere. Het kan zelfs zo zijn dat een klank of woord niet uitgesproken kan worden, terwijl het op een ander moment wel lukt .Ook andere activiteiten van de mond kunnen problemen geven zoals eten, drinken, blazen en zuigen. Het niet of slecht spreken leidt tot problemen in de communicatie. Het kind kan namelijk niet of nauwelijks duidelijk maken wat het wil en wordt daarom soms niet begrepen door zijn omgeving. Kinderen met deze problemen hebben deskundige hulp nodig, want het gaat om een stoornis die zich niet vanzelf herstelt.

 

Wat doet de logopedist?

De logopedist onderzoekt de spraak en de mondmotoriek van het kind, observeert het eten en drinken en stelt een diagnose. Nader onderzoek door een medisch specialist kan nodig zijn. Indien de logopedische therapie gestart wordt, leert het kind de spraakbewegingen aan te sturen en worden de klanken op een speelse manier geoefend; de aan te leren klanken worden gekoppeld aan symbolen en/of gebaren en worden ingeoefend met andere klanken. Hierdoor wordt het kind vaardiger in het sturen van de bewegingen van de mond. Dit lukt niet met een paar keer oefenen, maar vereist
een geregelde en consequente training, ook thuis. De duur en resultaten van de logopedische therapie zijn afhankelijk van het type en de ernst van de uitspraakproblemen en van het tijdstip waarop de therapie begonnen is. De therapie kan al op zeer jonge leeftijd ( twee tot drie jaar) starten.

Stotteren

Stotteren is een spraakstoornis waarbij het vloeiende verloop van de spraakbeweging gestoord is. Klanken of lettergrepen worden herhaald of verlengd. Soms worden ze er met veel spanning uit geperst. Daarnaast kunnen bij het stotteren begeleidende symptomen voorkomen. Voorbeelden zijn meebewegingen in het gezicht en van lichaamsdelen, verstoring van de adem, transpireren en spanning. Naast deze zichtbare en hoorbare symptomen zijn er ook verborgen symptomen. Vermijden van situaties, bepaalde woorden of klanken omzeilen, gebrek aan zelfvertrouwen en angst om te spreken. Stotteren kan de communicatie ernstig verstoren.

Over de oorzaak van stotteren zijn in de loop der tijd verschillende theorieën beschreven. Vroeger dacht men dat stotteren vooral aangeleerd gedrag was. Tegenwoordig wordt stotteren gezien als een aanleg tot ontregeling van de spraakmotorische processen. Dit zijn ademhaling, stemgeving en articulatie. Emoties en gedachten rond het spreken, alsook omgevingsfactoren zijn hierop van invloed.

Stotteren begint meestal bij kinderen tussen de twee en zeven jaar. Bij de meeste kinderen gaat stotteren vanzelf over, sommigen hebben een behandeling door een logopedist of stottertherapeut nodig. Het is dan belangrijk om snel goed onderzoek te doen, zodat ouders goede informatie krijgen of therapie nu wel/niet zinvol is. De betreffende logopedist/stottertherapeut zal dan vanzelf aangeven of behandeling meteen zinvol is of niet en op welke gronden.

Met de Screenings Lijst voor Stotteren (SLS) kan worden onderzocht door ouders of hulpverleners die zich zorgen maken om een kind dat begint te stotteren, of verwijzing naar een logopedist geïndiceerd is. De SLS is niet geschikt voor oudere kinderen of volwassenen.

Meer informatie: www.stottercentrumzeeland.nl

Broddelen

Broddelen is een spraakstoornis waarbij de persoon aritmisch en slecht verstaanbaar spreekt in een zeer hoog spreektempo. Opvallend zijn de snelle woord- en klankherhalingen. Broddelen gaat vaak gepaard met slechte concentratie en hyperactiviteit. Door de herhalingen lijkt broddelen soms op stotteren. Een groot verschil is dat de broddelaar zijn communicatieve problemen niet opmerkt en de stotteraar wel. Dit heeft natuurlijk invloed op de therapie.

 

Wat doet de logopedist?

De therapie zal zich in eerste instantie vooral richten op de bewustwording van eigen spreken. Daarna worden oefeningen voor uitspraak, ritme en intonatie gegeven.

Dysartrie

Dysartrie is een spraakstoornis die wordt veroorzaakt door een beschadiging van het zenuwstelsel. Hierdoor werken de spieren die nodig zijn voor het ademen, de stemgeving en de uitspraak onvoldoende. Oorzaken van dysartrie zijn bijvoorbeeld een beroerte (CVA), een hersentumor, een ongeval, een spierziekte zoals ALS (Amyotrofische Lateraal Sclerose) of een neurologische aandoening (ziekte van Parkinson). Deze aandoeningen komen voornamelijk voor bij volwassenen en ouderen, maar ook bij kinderen en jongeren kan een dysartrie ontstaat. De communicatie bij mensen
met dysartrie is gestoord, omdat ze moeilijk te verstaan zijn. Dit kan komen door een onduidelijke uitspraak, een te zachte en/of hese stem, en eentonig of nasaal (door de neus) spreken of een combinatie hiervan. Bij een dysartrie door een beroerte is er vaak sprake van een verlamming van (een deel van)één kant van het aangezicht, waardoor de mimiek verandert. Speekselverlies of slikproblemen kunnen het gevolg zijn.

 

Wat doet de logopedist?

Via de huisarts, neuroloog of revalidatiearts wordt een patiënt naar een logopedist verwezen. De logopedist zal onderzoek doen naar het gevoel en het functioneren van de spieren in het gezicht. Ook wordt de stem en de verstaanbaarheid beoordeeld. De behandeling is gericht op het verbeteren van de verstaanbaarheid. De patiënt leert optimaal gebruik te maken van zijn mogelijkheden. Vanuit een juiste, symmetrische lichaamshouding worden mondmotoriek (belangrijk bij het eten, drinken en het spreken), de uitspraak, de ademhaling en de stemgeving behandeld. De logopedist
geeft adviezen aan de patiënt en de mensen in zijn omgeving. De resultaten van de behandeling zijn mede afhankelijk van de ernst en de aard van de ziekte of aandoening. Als de patiënt ook met logopedische behandeling niet tot verstaanbaar spreken komt, zal de logopedist met de patiënt een geschikt communicatiemiddel zoeken. Dit kan een gebaren- of tekensysteem zijn of een elektronisch communicatiehulpmiddel.

Nasaliteitsproblemen

Bij een nasaliteitsstoornis is er sprake van teveel of te weinig resonantie door de neus. De meeste spraakklanken worden gevormd door lip-, tong- en kaakbeweging en wordt de neusweg afgesloten door optrekken van het zachte verhemelte. Echter bij de klanken [m,n,ng] blijft het zacht verhemelte hangen, waardoor deze klanken een ‘neusklank’ hebben. Bij een open neusspraak ontsnapt er teveel lucht via de neus bij het spreken. Deze neusklank is erg storend voor de verstaanbaarheid. Mogelijke oorzaken zijn onder andere verminderd optrekken van het zacht verhemelte door
gewoontevorming, verminderde spierkracht, kaakgeklemd spreken of een aangeboren gehemeltespleet.

Bij de gesloten neusspraak klinkt het spreken alsof de neus verstopt zit. Er is te weinig resonantie in de neus. Mogelijke oorzaken zijn onder andere vergrote neusamandelen, een scheef neustussenschot of gezwollen neusslijmvliezen.

 

Wat doet de logopedist?

Bij nasaliteitsproblemen is het belangrijk dat de KNO-arts geconsulteerd wordt voor verder onderzoek. Bij open neusspraak kunnen oefeningen ter training van het verhemelte aangeboden worden. Als de oorzaak kaakgeklemd spreken is, dan worden er oefeningen gegeven voor verdeling van luchtstroom door mond en neus.